9 januari 2018
Onderwerpen: ZZP Tips Advies MKB

Het boxenstelsel stap voor stap doorlopen

De Nederlandse inkomstenbelasting vindt plaats middels het zogeheten boxenstelsel. Dat stelsel houdt in dat er drie verschillende categorieën (boxen) zijn, waarin inkomsten en aftrekposten worden verantwoord. Iedere box kent zijn eigen methodiek en belastingtarief. Maar wat valt in welke box en waarom? 

Het boxenstelsel is opgemaakt in de vorm van een stappenplan. Reden hiervoor is dat het bij twijfel raadzaam is de verschillende boxen stuk voor stuk te doorlopen en te starten bij box 1. Zo komt u erachter in welke inkomensbox het inkomen thuishoort. 

Box 1 - inkomen uit werk en woning

Het tarief in box 1 is een oplopend tarief met vier schijven, met een maximaal tarief van 51,95%. In box 1 valt al het inkomen dat verband houdt met werk en de eigen woning, hierin trekt u dus ook de hypotheekrente af. Ook is het mogelijk om in deze box uitgaven voor inkomensvoorzieningen op te nemen, zoals de arbeidsongeschiktheidspremie:

  • winst uit onderneming;
  • loon, uitkering of pensioen;
  • fooien en andere inkomsten;
  • buitenlandse inkomsten;
  • inkomsten als freelancer, gastouder, artiest of beroepssporter;
  • periodieke uitkeringen (zoals lijfrente en alimentatie);
  • eigenwoningforfait;
  • kapitaalverzekering eigen woning;
  • negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen;
  • negatieve persoonsgebonden aftrekposten.

Box 2 - inkomen uit aanmerkelijk belang

Als u (samen met uw partner) minimaal 5% belang houdt in een vennootschap, heeft u een aanmerkelijk belang en wordt u belast in box 2. Alle voordelen die u uit dit belang haalt, worden belast tegen een tarief van 25%. Denk hierbij aan ontvangen dividenden, maar ook de winst die wordt behaald bij verkoop van uw belang. De kosten die verband houden met het aanmerkelijk belang mogen ook hierin in aftrek worden gebracht. 

Box 3 - inkomen uit sparen en beleggen

In de derde inkomensbox wordt het inkomen uit sparen en beleggen belast (ook wel ‘vermogensrendementsheffing’ genoemd). Deze heffing is onder andere van toepassing op:

  • onroerende zaken (met uitzondering van de als hoofdverblijf dienende eigen woning);
  • aandelen;
  • obligaties;
  • spaartegoeden;
  • lijfrente- en kapitaalverzekeringen die niet in box 1 vallen.

Sinds 1 januari 2018 sluit het forfaitaire rendement van het inkomen uit vermogen dichter aan bij het gemiddelde werkelijke rendement. De grondslag sparen en beleggen in box 3 is de rendementsgrondslag verminderd met het heffingsvrije vermogen en wordt toegerekend aan een spaardeel en een beleggingsdeel. Voor de toerekening wordt gebruikgemaakt van drie schijven:

  • schijf 1: tot € 70.800;
  • schijf 2: van € 70.800 tot en met € 978.000;
  • schijf 3: vanaf € 978.000.

De twee percentages waarmee u het voordeel uit vermogen moet berekenen zijn 0,36% en 5,38% Per schijf worden de percentages anders gebruikt. Heeft u hier nog vragen over, neem dan gerust contact op met één van onze administratieadviseurs

Bron: Rendement

Terug